  |
Zittend met mijn rug naar de haven staar ik naar de wijk
Bleijenhoek. Recht voor mij, gemonteerd op een brugleuning, verhalen stille
getuigen over een stukje historie. Sluis 1640 en gemaal 1975. Vergane
glorie. Zelfs het nieuwe gebouw aan mijn linkerzijde fluistert iets van
vroeger door de vermelding Brugwachter. Terwijl mijn nostalgische mijmeringen
op de loop gaan, stopt een oude man vlak voor me.
"Mag ik naast u zitten?", vraagt hij vriendelijk.
Ik knik, maar eigenlijk wil ik alleen zijn. De man haalt een doos sigaren
tevoorschijn en steekt een grote Bolknak op.
"Meneer is schrijver?", vraagt hij wijzend op mijn blocnote.
Ik lach. "Nee hoor, ik probeer alleen een beeld van de Bleijenhoek
te krijgen."
Hij knikt en blaast een enorme rookwolk in mijn richting. Met kleine pretoogjes
kijkt hij mij aan. "Van vroeger of van nu."
"Van vroeger natuurlijk", antwoord ik, "ik weet hoe de
wijk er nu uitziet."
"Dan bent u een dwaas", zegt de man. "Vroeger is voorbij,
dood en begraven!"
Ik knik, maar vraag toch: "Was het vroeger dan zo slecht?"
Intermezzo
Het waren buurten waar het voor de vaak straatarme bewoners van destijds
dagelijks een enorm harde strijd was om het naakte bestaan, waarvan hun
harde en getaande voorkomens apert getuigden, daar zij iedere dag weer,
erg rauw losgezongen van enige luxe voor de opdracht stonden: gewoonweg
overleven. 'Eerst het dagelijkse vreten en dan een hele tijd niks'. Onder
deze omstandigheden was het leven een maalstroom van neerwaartse spiralen.
Bidden om verlichting in armoe
hebben de meesten daar nooit gedaan, omdat ze dit immers nooit geleerd
hadden. En als zij hier wèl voor 'in' waren geweest, dán
hadden ze gewis en zeker de volgende smeekbede wat stilletjes voor zich
uit gepreveld: Heer, geef me de kracht om te accepteren wat ik zelf niet
of nauwelijks veranderen kan.
De mannen waren in de beruchte twintiger en dertiger crisisjaren
doorgaans werkloos, en daardoor voorzien van een sociale weekwedde van
zo'n twaalf gulden, waarvan een huisje moest worden gehuurd en voor een
heel gezin voedsel moest worden aangeschaft. Dat was niet mis, want de
kindertallen waren groot. Het moge duidelijk zijn dat Schraalhans daar
iedere dag een enorm gierige keukenmeester was. Maar gelukkig verstrekte
'good old Aagie Beuk' van de 'Uienkeet' aan het Nieuwkerksplein,
die zwaar gesjochte families wel 'es een karweitje, d.w.z. sjalotten pellen.
Zo kon het gebeuren dat er straat in straat uit vele echtparen met hun
rijkelijk aanwezige, maar hongerige kinderschare op de stoep van hun woning,
met betraande ogen in een penetrante
uienlucht sjalotten zaten te jassen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog
werd hun situatie er al niet beter op: de werkloosheid bleef, totdat veel
van die mannen door de bezetter als dwangarbeiders naar Duitsland werden
verbannen. Vanwaar ze in 1945 vermagerd en vervuild, en vooral zonder
hoop op enig gunstig perspectief terugkeerden. Pas na de geboden Marshallhulp
gloorde voor hen wat soelaas.
De man recht zijn rug en kijkt goedkeurend naar zijn sigaar. "Jongeman",
zegt hij resoluut, "vroeger was het goed!" Dan zwijgt hij. Ik
wacht even en kijk hem aan. Een paar flinke trekken aan zijn sigaar verbergen
bijna zijn gezicht, maar toch zie ik in zijn ogen tranen blinken.
"Misschien was niet alles goed?", probeer ik voorzichtig.
"Marrieborriestraat",
mompelt de man voor zich uit. "Ik zie mijn zus nog zitten. Tjesus,
wat een ellende. En dan die stank. O meneer die stank was het ergste!"
Ik pak mijn blocnote en pen op. "Wat stonk er dan zo?"
De man snottert als een walrus, grijpt een gore zakdoek uit de zak van
zijn jas en blaast jaren van ellende weg. "De uien, meneer. De uien
stonken. Weet u, in die tijd moesten de vrouwen én kinderen in
het najaar uien pellen. Buiten nota bene, voor de deur, omdat het binnen
niet te harden was. Het stonk er vanaf de Marrieborriestraat tot aan de
Vest." Hij zwijgt een moment, alsof hij het verleden op zich
in laat werken. "Voor een grijpstuiver meneer, een paar rotcenten
om de winter door te komen."
Dan kijkt hij mij aan en ik kijk terug. Zijn tranen zijn verdwenen en
uit zijn ogen spreekt een speels glimmende spot. "Uien meneer. Elke
keer als ik eraan denk moet ik weer huilen."
Nick
Lambermont
Door interview verkregen.
Met dank aan de dames van Stadswiel en de heer Kattemölle
Tranen
mijmeringen
Bleijenhoek
Intermezzo
armoe
crisisjaren
Nieuwkerksplein
penetrante
uienlucht
Marshallhulp
"Marrieborriestraat"
de
Vest
huilen
Nick
Lambermont
Kattemölle
|
|